maandag 26 september 2011

subjectieve selectie van reacties op Vandermeersch


  1. Jan Hamer zegt: 
    Ik ben het wel eens met Hans Moll, ik ervaar de artikelen in het NRC ook als vijandig gezind tegenover Israël en ook omdat wat er staat soms van geen kant klopt. Hamas is wel degelijk een terreurorganisatie, Hamas vuurt raketten af op onschuldige Israëlische burgers, dat is een misdaad tegen de mensheid. Je hoeft trouwens hun handvest maar te lesen om te weten te komen wat Hamas’s drijfveren zijn. En de Palestijnen, een volk dat eigenlijk niet eens bestaat heeft altijd alle vredesonderhandelingen met Israël gesaboteerd.
  2. Bas Stekelenburg zegt: 
    Beste Peter van der Meersch,
    Als in Israël woonachtige Nederlander, lezer van de digitale NRC en dito Volkskrant, heb ik mij regelmatig boos gemaakt over de eeuwige negatieve Israël-kritiek die ex-verslaggever Guus Valk als een warme saus over zijn onderwerpen goot.
    Op enig moment ging dit zo ver, dat ik mij gedocumenteerd tot de redactie wendde. (December 2010, bij de enorme brand in noord Israël met 41 doden, waaraan in de zaterdageditie geen aandacht werd besteed, maar waar wel ruimte was voor een groot badinerend artikel van Guus Valk over de Joden in Lod, met kleurenfoto over 4 kolommen.)
    Het verzoek om antwoord is overigens nooit gehonoreerd.
    Ik heb in 2010 en 2011 tientallen artikelen ‘uitgeknipt’ en bewaard, om er zeker van te zijn dat ik zelf niet een vooringenomen, negatieve reactie naar Valk en de NRC buitenland-redactie ontwikkeld had. De verschillen met de ook bewaarde Volkskrantartikelen zijn echter evident: er is bij NRC een grote voorkeur voor arme Palestijnen en een grote afkeer van lelijke Israëli, als ik het even zo mag chargeren.
    Ik zie dan ook uit naar het boek van Hans Moll dat u hierboven van commentaar voorzag.
    Een commentaar met de duidelijke teneur “het is NIET waar: kijk maar naar xxx en naar yyy en naar zzz.”
    Het doet me toch vooral denken aan de fabrikant die tot zijn ergernis ziet dat er stukjes glas in de potten pindakaas zijn opgedoken, en in plaats van excuses en terugroepactie zegt dat er veeeeeeel meer potten zonder glas dan met glas zijn.
    Ik hoop niet dat deze zin die ik uit uw commentaar kopieerde veelzeggend is:
    quote
    Voor elke brief die we krijgen over onze vermeende sympathie voor de Palestijnen krijgen we er een die ons verwijt dat we niet kritisch genoeg over Israël zijn.
    endquote
    Wat is precies het verschil?….
    Bas Stekelenburg, Modi’in, Israël.
    David de Bruijn zegt: 
    De blogposts van Dhr. Vandermeersch hebben steevast dezelfde oninteressante strekking: aan welke soort kritiek ook wordt oppervlakkig lippedienst bewezen en wordt vervolgens aangegrepen voor opnieuw een cliche-verhaal over de o zo hoogstaande journalistieke kwaliteiten van de NRC. Kritiek: ‘Het nieuwe NRC format is te snel en te modern’, antwoord: ‘Nee NRC is zeker bij de tijd, maar nog altijd doorwrocht en sterk op de inhoud’. Kritiek: ‘NRC is bevooroordeeld, of berichtgeving is te persoonlijk bij een zaak betrokken’, antwoord: ‘Nee NRC geeft misschien ook het persoonlijke verhaal, maar blijft objectief en neutraal, als goede journalistiek betaamt’. Etc, etc. Columns van deze strekking zijn voor de lezer – of degene die daadwerkelijk na wil denken over het beleid bij NRC – niet interessant; het is simpelweg Dhr. Vandermeersch die zijn eigen straatje schoonveegt en het dogma van ideale journalistiek uitdraagt (‘natuurlijk zijn we niet perfect, maar…’). Beter zou het zijn als Dhr. Vandermeersch oprecht zou berichten over observaties van zaken die misschien niet helemaal voldoen aan de standaard ideaalbeeld dat men heeft van de journalistiek; dat zou pas eerlijk en interessant zijn.

    Ron van der Wieken zegt: 
    Er is geen enkele twijfel dat de NRC de laatste jaren niet alleen een uitgesproken selectief Israël-kritische redactie heeft, veel erger is het dat verslaggeving(dus het leveren van feiten aan de lezer) en opinie (het geven van een mening door de redactie) met de regelmaat van de klok, vooral als het over het midden-oosten gaat, door elkaar worden gehaald. Een absolute journalistieke doodzonde leidend tot oneerlijke stemmingmakerij onder de lezers.
    Verder heb ik in de NRC nog nooit een kritisch artikel gelezen over,bijvoorbeeld, de intens feodale en corrupte staatsstructuren in vrijwel alle Arabische (en eigenlijk ook Islamitische) landen; voor de gemiddelde NRC lezer moeten de jongste erupties van Arabisch volksongenoegen dan ook als een totale verrassing zijn gekomen.
    Vandermeersch verbergt zich achter flauwe en belegen argumenten (bv: beide stapeltjes kritische noten ongeveer even hoog, dan zit het wel goed) en jokt er vrolijk op los als hij zegt dat de NRC zijn fouten corrigeert: feitelijk heb ik nog nooit één fout ten nadele van Israel in de NRC gecorrigeerd gezien.
    Tenslotte is er het uitgesproken restrictieve beleid tav pro-Israëlische ingezonden brieven terwijl de zotste pro-Palestina verhalen in overmaat worden opgenomen.
    Het werd tijd dat de opgeblazen arrogantie van een krant die zich zelf zonder veel redenen de beste van Nederland acht wordt doorgeprikt. Bedankt, Hans Moll!

    Het onderzoek naar de berichtgeving van NRC Handelsblad over Israel en de Palestijnen door stichting WAAR bevestigt het beeld dat Hans Moll schetst. Zie:http://www.israel-palestina.info/krantenonderzoek_nrc.html Op dat onderzoek hebben we helaas nooit een reactie van de NRC mogen ontvangen, ondanks herhaalde verzoeken. Ik zou het waarderen als men daar alsnog op zou kunnen reageren. Peter Vandermeersch geeft aan dat men van kritiek kan leren en er daarom voor open staat, dus ik zou zeggen, doe hier uw voordeel mee.
    Wat betreft Hamas het volgende: mij is toen (het onderzoek gaat over de winter van 2007-2008 en de Gaza-oorlog en nasleep) vaak opgevallen hoe mild men over Hamas schreef, altijd met een teneur dat deze beweging minder erg is dan wat vaak wordt beweerd. Ook werden mensen van Hamas uitgebreid aan het woord gelaten die uitlegden hoe redelijk ze waren en hoe graag ze vrede willen, maar ja, dat wrede Israel he. Leden van Likoed of Yisrael Beiteinu kregen die kans nooit. Als Israeli’s aan het woord werden gelaten waren dat ofwel radikale kolonisten ofwel vredesactivisten en kritische journalisten die het voor de Palestijnen opnamen. Iets er tussenin leek voor de NRC niet te bestaan. We hebben dit met vele voorbeelden onderbouwd, en niet alleen de voorbeelden eruit gepikt die ons uitkwamen, maar alle berichten uit twee periodes onderzocht. Overigens werd Hamas nooit een ‘terreurbeweging’ genoemd, en plegers van aanslagen op burgers waren altijd ‘militanten’, nooit terroristen.
    Daarnaast lijkt voor de NRC het enige of op zijn minst belangrijkste probleem de bezetting en nederzetting en wangedrag van de kolonisten te zijn. In beide onderzochte periodes zijn we niet een artikel tegengekomen waarin de ophitsing tegen Israel en verheerlijking van geweld en ‘martelaren’ door door de Palestijnen gecontroleerde media en moskeeën centraal stond. Er was een artikel over propaganda door Hamas, maar ook dat had een milde ondertoon. Er waren daarentegen diverse artikelen over de zogenaamd zo vreselijk goed geoliede propagandamachine van Israel, die iedereen zand in de ogen zou strooien en het Westen bespelen. En toen rabbijn Ovadia Yosef zei dat de Palestijnen van de aardbodem moesten verdwijnen kwam dat op de voorpagina van de NRC, maar de vele haattoespraken van Hamas leiders waarin zij dood aan de Joden wensen, haalden de NRC niet. Een laatste voorbeeld: tijdens de Gaza oorlog verschenen er diverse zeer anti-Israel getinte opiniestukken in de krant, onder andere van Stop de Bezetting en van Mohammed Benzakour. Op deze stukken verscheen geen enkel tegenstuk; er werden uberhaupt geen pro-Israel artikelen geplaatst.




kritiek Peter Vandermeersch en antwoord daarop van mij


Over de nuance in de relatie tussen NRC en Israel

Vandaag publiceert Hans Moll een boek waarin hij ons verwijt dat we ‘onwelgevallige’ nieuwsberichten en meningen uit de krant houden. Daardoor zou NRC Handelsblad een karikaturaal beeld geven van wat er in het Midden-Oosten gebeurt. Hans was tot aan zijn pensioen, vorig jaar, redacteur van onze krant en schrijft dat hij van binnenuit heeft kunnen zien hoe de krant systematisch de Palestijnen de hand boven het hoofd houdt en vijandig schrijft over Israel. Het boek heet Hoe de nuance verdween uit een kwaliteitskrant; NRC Handelsblad neemt stelling tegen Israel.
Dat is even schrikken.  Iedereen die ons een spiegel voorhoudt is natuurlijk van harte welkom en ik heb uitgezien naar dit boek, omdat we van kritiek kunnen leren. Zelfs al is het ongeveer het zwaarste verwijt dat iemand kan maken aan een krant als de onze, die zich immers laat voorstaan op zijn liberale principes.
Maar ik moet ook bekennen dat ik door dit boek teleurgesteld ben. Ik heb Hans niet als collega meegemaakt, dus ik kan niet uit eigen waarneming bevestigen dat hij in de tijd dat hij aan de krant was verbonden, heeft geprobeerd een debat hierover aan te wakkeren, zoals hij schrijft, maar geen van mijn voorgangers in de hoofdredactie herinnert zich desgevraagd dat hij ooit een discussie over dit onderwerp heeft geëntameerd. Hans Moll sprak en e-mailde met individuele collega’s die over de islam en het Midden-Oosten schreven, maar dat werd opgevat als collegiale belangstelling en kritiek. Geen van hen was zich ervan bewust dat hij materiaal verzamelde voor een boek. 
Wat ik ook kan zeggen is dat de redactie die ik aantrof na mijn aantreden in 2010 een andere is dan de vooringenomen groep collega’s die Hans beschrijft.
Maar ten gronde is er natuurlijk de inhoud van het boek.  Ja, natuurlijk maakt NRC Handelsblad geregeld fouten; elke fout is er een te veel. Die zetten we dan recht.  Maar omgekeerd mogen we van iemand die ons zo de maat neemt verwachten dat de feiten waarop hij zijn oordelen baseert, kloppen. Ik zal straks iets meer zeggen over onze journalistieke uitgangspunten en werkwijze, maar ik moet na een eerste lezing wel vaststellen dat veel ‘feiten’ uit zijn boek simpelweg niet kloppen.
Zo schrijft hij over de zogeheten ‘weggeefkast’ op de redactie van het Boeken-bijvoegsel, waarin boeken zouden terechtkomen die niet worden besproken. Dat lot treft volgens hem pro-Israel en anti-islam boeken, want die zouden uit de krant worden geweerd. Hij noemt dertien titels als voorbeeld.
Ik ben zijn lijst eens langs gelopen, en vond het volgende. Drie van de dertien boeken die Moll noemt hebben wel degelijk een recensie gekregen (Roger Scruton, The West and the Rest; Ed Husain, The Islamist; Martin Amis, The Second Plane). Aan de andere auteurs is geen formele recensie gewijd – de krant kan nu eenmaal niet alle boeken bespreken – maar alle door hem genoemde auteurs zijn in de krant herhaaldelijk en uitgebreid behandeld in reportages, achtergrondstukken, columns en essays (en zelfs in de rubriek ‘Voorkeur’ op de tv-pagina). Over sommige van de door hem genoemde auteurs schreven wij meer dan tien keer.
Wij bespraken Andrew Bostoms boek The legacy of Jihad niet, maar over Bostom, die als getuige door Geert Wilders werd opgeroepen in zijn proces, schreven wij natuurlijk wel. Het door Moll genoemde boek van Wim Kortenoeven, medewerker van het CIDI (Centrum Informatie en Documentatie Israel), hebben we ook niet besproken, maar de krant had op 5 augustus 2006 een groot interview met hem (‘Historische sympathie voor Israel in Nederland kalft af’). Het boek De ziekte van de islam van Abdelwahhab Meddeb bespraken wij evenmin, maar op 28 mei 2010 stond er een groot interview met hem in NRC Handelsblad.
Onder de dertien door Hans genoemde boeken is ook Sam Harris, The Suicide of Reason, dat wij niet zouden hebben besproken. Dit is juist. De auteur van dat boek is namelijk LeeHarris, en diens werk is juist wel uitgebreid besproken in de krant. Sam Harris schreef het boek The End of Faith. Dat boek besprak de krant wel, op 26 mei 2006. De auteur van die recensie? Hans Moll zelf.
Eerder blijkt dus het tegendeel van wat hij beweert. Ik vind het ook bijzonder zorgelijk, en zelfs weinig professioneel, dat hij het niet nodig vond aan wederhoor te doen, een principe dat ook in zijn tijd bij NRC Handelsblad al in hoog aanzien stond.
Dan de berichtgeving over Israel en het wijdere Midden-Oosten. Hans schrijft dat ,,de teneur” is dat wij Hamas – die in Gaza nu de dienst uitmaakt – geen terreurorganisatie vinden. Dat is onjuist. Een beweging die raketten op Israël afvuurt is een terreurbeweging.
Hans maakt er zelfs van dat NRC partij voor Hamas heeft gekozen. Niets is minder waar. Achtereenvolgende correspondenten in Israel hebben herhaaldelijk reportages gemaakt uit Gaza en beschreven hoe dat in een islamitisch rijkje is veranderd. De teneur van de stukken was juist niet dat het allemaal wel meevalt, maar wel degelijk dat de bevolking de gevolgen ondervindt van een dictatuur, die zich onder meer uit met islamitische regels als een verbod op dansen, homoseksualiteit en gokken.
Moll claimt dat de krant niet heeft geschreven over meldingen dat Fatah-leden door Hamas zijn gedood. Ook dit is onjuist, de krant heeft er meermalen over geschreven. NRC Handelsblad was aanwezig bij het gewelddadig neerslaan door Hamas van een seculiere studentenopstand, op 16 en 17 maart 2011. Toen feesttenten en restaurants vorig jaar overal in brand werden gestoken, wees Hamas naar salafisten. NRC schreef dat Hamas zelf achter de brandstichtingen zat, om de salafisten de schuld te geven (8 oktober 2010).
In hoofdredactionele commentaren heeft de krant inderdaad praten met Hamas de enige kans op een oplossing genoemd, maar is dat ‘kiezen voor’? Hamas is een beweging met vele gezichten, waaronder een radicaal en een gematigd. Die in beeld brengen lijkt mij onze journalistieke plicht.
Hans Moll schrijft herhaaldelijk dat onze buitenlandredactie en onze correspondenten zich laten bedriegen door pro-Palestijnse en anti-Israelische propaganda. Zijn case in point is onder meer de kwestie  Mohammed al-Dura, de kleine jongen die zou zijn doodgeschoten door het Israëlische leger juist toen hij met zijn vader schuilde voor gevechten.  Over die beeldbepalende gebeurtenis als de dood van al-Dura ontstond een grote controverse. NRC Handelsblad heeft daar herhaaldelijk over geschreven. Onder meer op de mediapagina van 14 maart 2009. De auteur van dat stuk was Hans Moll. In zijn boek schrijft hij echter: ,,Maar waarom mag de NRC-lezer niet weten dat er een uitgebreide, internationale discussie gaande is over Palestijnen die gebeurtenissen in scène zetten voor hun anti-Israël-propagandadoeleinden?’’
Dit is een naar mijn smaak ontluisterend voorbeeld van de partijdige journalistiek die hij juist de krant verwijt. Als NRC-redacteur was hij direct betrokken, maar in zijn boek stelt hij het anders voor omdat het  beter uitkomt voor zijn centrale stelling dat de krant pro-Palestijnen en anti-Israel is.
Mij valt op dat Hans het  conflict in het Midden-Oosten allereerst als een religieus conflict ziet, tussen Goed en Kwaad. Dat is een verschil met de lijn van de krant. Wij zien het vooral als een politiek probleem, een kwestie over  land en macht, en niet in de eerste plaats als een botsing der beschavingen. Onze artikelen worden geschreven volgens de regels van de kritische journalistiek, we voeren geen politiek-ideologische campagne. Wij willen niet behagen of verdraaien ten gunste van de een of andere ideologie of sympathie. Over Israël schrijven we dus niet anders dan over de Palestijnen. Zakelijk, feitelijk en in het besef dat we zelden over alle puzzelstukjes beschikken.
 ,,Ik wil dat de krant zo veel mogelijk verifieerbare feiten presenteert, en als dat moeilijk is, dat de krant in ieder geval een evenwichtige berichtgeving biedt’’, schrijft Hans. Ik kan het daarmee alleen maar eens zijn. Maar ik vrees dat zijn boek eerder de vooringenomenheid toont die hij de krant kwalijk neemt.
 Midden-Oostenberichtgeving is ,,de hoogspanningsleiding van de journalistiek”, schreef de ombudsman van The New York Times afgelopen zomer, ,,touch it and burn”.
Wie schrijft over het Midden-Oosten doet het zelden voor alle lezers goed. Voor elke brief die we krijgen over onze vermeende sympathie voor de Palestijnen krijgen we er een die ons verwijt dat we niet kritisch genoeg over Israël zijn. Dat is niet verwonderlijk voor een onderwerp dat zulke diepe sporen heeft getrokken, in de geschiedenis, in mensenlevens. Het overkomt The New York Times, de BBC, en het is iets waar wij mee hebben te leven. Maar zolang beide stapeltjes post ongeveer even hoog zijn, geloven we dat we zo evenwichtig mogelijk berichten.
Dat  betekent overigens niet dat de waarheid per definitie wel ergens in het midden zal liggen. En evenmin dat we nooit een oordeel vellen. Maar dat oordeel vellen we in onze hoofdredactionele commentaren, niet op de nieuwspagina’s, en ook dan gebeurt het alleen nadat we alle argumenten hebben gewogen. We hopen dat dat onze lezers helpt hun eigen mening te vormen.
Kritiek op de krant nemen we serieus. Dit weblog is geen recensie. Net om dat te onderstrepen heeft de redactie Boeken aan een onafhankelijke auteur gevraagd Hans’ boek te bespreken. De recensie door Peter Vasterman, docent mediastudies aan de Universiteit van Amsterdam,  is vrijdag te lezen in de bijlage Boeken.
Dit boek is hoe dan ook een aansporing om onze berichtgeving over en uit het Midden-Oosten tegen het licht te blijven houden. Het debat daarover zullen we natuurlijk graag voeren. Maar feiten en argumenten moeten wel kloppen. Hans Moll is van harte uitgenodigd daaraan een constructieve bijdrage te leveren.

  1. hans moll zegt: 
    Na de publicatie van mijn boek ‘Hoe de nuance verdween uit een kwaliteitskrant/ NRC Handelsblad neemt stelling tegen Israël’, heeft de hoofdredacteur van de NRC, Peter Vandermeersch, in zijn blog mij een aantal zaken verweten.
    Zo schrijft hij: ‘Maar omgekeerd mogen we van iemand die ons zo de maat neemt verwachten dat de feiten waarop hij zijn oordelen baseert, kloppen. Ik zal straks iets meer zeggen over onze journalistieke uitgangspunten en werkwijze, maar ik moet na een eerste lezing wel vaststellen dat veel ‘feiten’ uit zijn boek simpelweg niet kloppen.
    Zo schrijft hij over de zogeheten ‘weggeefkast’ op de redactie van het Boeken-bijvoegsel, waarin boeken zouden terechtkomen die niet worden besproken. Dat lot treft volgens hem pro-Israel en anti-islam boeken, want die zouden uit de krant worden geweerd. Hij noemt dertien titels als voorbeeld.’
    1) Martin Amis: The Second Plane. Johnatan Cape 2008
    2) Anne Marie Delcambre Inside islam
    3) Andrew Bostom: The legacy of jihad
    4) Sam Harris: The suicide of reason
    5) Ed Husain: The islamist. Why I joined radical Islam in Britain, what I saw inside and why I left. Penguin Books 2007
    6) Karen Jespersen en Ralf Pittelkow: Islamisten en naïvisten. Een aanklacht. 2006 Nieuw Amsterdam 2007
    7) Wim Kortenoeven: Hamas – Portret en achtergronden. Aspekt 2007
    8) Jan Leyers: De Weg Naar Mekka. Van Halewijck 2007
    9) René Marres: De verdediging van het vrije woord
    10) Abdelwahhab Meddeb: de ziekte van de islam. Ten have 2007
    11) Roger Scruton The West and the rest
    12) Robert Spencer: The Truth About Muhammad: Founder of the World’s Most Intolerant Religion. 2006 Regnery Publishing 2007
    13) Ibn Warraq: Weg uit de islam. Getuigenissen van afvalligen. 2003 Meulenhoff 2008
    Tot zover Peter Vandermeersch. Wat ik werkelijk zeg over de weggeefkast, is: ‘In die kast komen boeken terecht waarmee de boekenredactie niets wil doen. Sommige van die boeken zijn paperbacks waarvan de hardcoveruitgave al is besproken.’ En ook: ‘Veel boeken die daar belanden, worden niet besproken.’ ‘Onbesproken boeken’ is slechts de titel van het hoofdstuk. Wat ik schrijf, is dat deze dertien boeken gemeen hebben dat hun inhoud kritisch staat tegenover de islam. Ik zeg nergens dat deze boeken niet zijn besproken.
    Van twee auteurs heb ik in dit hoofdstuk uitdrukkelijk gezegd dat hun boeken niet zijn besproken in de NRC: Abdelwahhab Meddeb en Leyers. In een ander hoofdstuk heb ik geschreven dat Kortenoeven niet is gerecenseerd. De vraag die in het hoofdstuk ‘onbesproken boeken’ centraal staat, is: aarzelt de liberale pers iets tegen de islam te publiceren?
    Hoe specificeert Vandermeersch zijn kritiek? Hij zegt: drie boeken die Moll noemt, hebben wel degelijk een recensie gekregen.
    Tien van de door mij genoemde titels zijn volgens Vandermeersch dus inderdaad niet gerecenseerd? Dan scoor ik niet zo slecht als hij aanvankelijk – bezijden de waarheid – suggereerde. Ik heb het nagezocht en Jan Donkers besprak 29 februari 2008 Amis, The second plane; Arnold Heumakers besprak 13 december 2002 Scruton, The West and the rest en Jutta Chorus besprak 17 november 2007 Husain, The islamist.
    Ik heb nergens gezegd dat The second plane niet zou zijn gerecenseerd. Wel zeg ik elders in mijn boek dat als Jensma in de weggeefkast had gekeken, hij daar The second plane had gevonden.
    Vandermeersch schrijft: ‘maar alle door hem (Moll) genoemde auteurs zijn in de krant herhaaldelijk en uitgebreid behandeld in reportages, achtergrondstukken, columns en essays (en zelfs in de rubriek ‘Voorkeur’ op de tv-pagina). Over sommige van de door hem genoemde auteurs schreven wij meer dan tien keer.”
    Vooruit. Nemen wij een Wim Kortenoeven. Daarover schrijft Vandermeersch: ‘5 augustus 2006 (hadden) we een groot interview met hem in NRC Handelsblad”.
    Ten eerste was het geen groot interview met Kortenoeven, maar kwam hij als één van de geïnterviewden voor in een groot artikel. Ten tweede kwam in dat artikel niet één keer de naam van Hamas voor, de titel van Korteoevens boek. Ten derde bleek achteraf in een ingezonden brief dat de geïnterviewde zich had herkend in de weergave van zijn woorden door de interviewer.
    Abdelwahhab Meddeb dan.
    Op 28 mei 2010, zegt Vandermeersch, zou er een groot interview met Meddeb in de krant hebben gestaan. In mijn ogen was dat geen interview. Nergens wordt Meddeb sprekend aan het woord gelaten. Volgens de auteur van het artikel schrijft Meddeb ‘over erotiek en de scheiding tussen kerk en staat, over kunst en filosofie. Hij verzet zich tegen religieus extremisme, dat hij de ziekte van de islam noemt’. Dat laatste is inderdaad een verwijzing naar de gelijknamige titel van zijn boek. Nogmaals, dit was geen interview.
    Vandermeersch: “Wij bespraken Andrew Bostoms boek The legacy of Jihad niet, maar over Bostom, die als getuige door Geert Wilders werd opgeroepen in zijn proces, schreven wij natuurlijk wel”. In het digitale archief kom ik alleen tegen: “verklaringen, opgenomen via Skype, van deskundigen die Moszkowicz niet mocht oproepen als getuige in de rechtbank. Onder anderen de Amerikaanse hoogleraar Bostom gaf zijn visie op de islam: Antisemitisme staat centraal.” In het digitale archief voor de abonnees heb ik niets anders kunnen vinden dan deze zinsnede.
    Dan betrapt de krant mij op een evidente fout, ik schrijf Sam Harris waar het Lee Harris moet zijn als auteur van The suicide of reason. Mijn fout, dom, excuses. Maar die fout is het enige wat overblijft na bestudering van de – nooit door mij geuite – stelling dat de dertien genoemde titels niet zijn besproken.
    Verder naar de volgende aantijging.
    Vandermeersch: “Hans schrijft dat ,,de teneur” is dat wij Hamas – die in Gaza nu de dienst uitmaakt – geen terreurorganisatie vinden. Dat is onjuist. Een beweging die raketten op Israël afvuurt is een terreurbeweging.’ Met die laatste zin ben ik het hardgrondig eens. Maar wat staat in de krant? Ik citeer maar de meest recente verwijzing naar Hamas als terreurbeweging in de NRC, 4 mei 2011: ‘Hamas, dat door Israël en de VS als een terreurbeweging wordt beschouwd […]’.
    Daar staat toch echt niet ‘de terreurbeweging Hamas’. Nee, alleen de VS en Israël noemen die beweging zo. En op de krant Peter Vandermeersch. Dat dan weer wel, maar dat kon ik niet weten.
    Vandermeersch: ‘Hans maakt er zelfs van dat NRC partij voor Hamas heeft gekozen. Niets is minder waar. Achtereenvolgende correspondenten in Israël hebben herhaaldelijk reportages gemaakt uit Gaza en beschreven hoe dat in een islamitisch rijkje is veranderd. De teneur van de stukken was juist niet dat het allemaal wel meevalt, maar wel degelijk dat de bevolking de gevolgen ondervindt van een dictatuur, die zich onder meer uit met islamitische regels als een verbod op dansen, homoseksualiteit en gokken.”
    Misschien heb ik iets over het hoofd gezien, maar dit is in elk geval ook geschreven:
    Op 5 december 2009 schreef de krant:
    ‘(..) het leven voor de inwoners van Gaza (is) niet wezenlijk veranderd sinds Hamas alleen regeert. Het is veiliger op straat, de anarchie van elkaar bevechtende strijdgroepjes is verdwenen.’ En: ‘Hamas heeft de macht stevig in handen in de Gazastrook. Maar de Palestijnse beweging heeft geen islamitisch emiraat van het gebied gemaakt.’
    Ik lees daaruit niet dat, zoals Vandermeersch waarschijnlijk terecht opmerkt, ‘de bevolking de gevolgen ondervindt van een dictatuur’.
    Nog meer Hamas. Vandermeersch: ‘In hoofdredactionele commentaren heeft de krant inderdaad praten met Hamas de enige kans op een oplossing genoemd, maar is dat ‘kiezen voor’?’
    Nee, dat is mijn punt ook niet. Wat systematisch buiten beschouwing wordt gelaten in de NRC is aandacht voor het handvest van Hamas. Deze organisatie is apert antisemitisch en nadrukkelijk uit op de vernietiging van de staat Israël. Dat staat zelden, ik heb het tenminste niet kunnen vinden, in artikelen waarin Hamas voorkomt. Iets zo vaak weglaten, is inderdaad kiezen, namelijk voor verzwijgen.
    Lang heeft ook de NRC gezwegen over de controverse rond de dood van Mohammed al-Dura. Vandermeersch zegt: ‘NRC Handelsblad heeft daar herhaaldelijk over geschreven. Onder meer op de mediapagina’. Ja, dat was ik. Nota bene nadat ik in de wandelgangen was aangesproken door een collega die zei dat het toch eigenlijk te zot voor woorden was dat we (NRC Handelsblad) deze zaak hadden laten liggen. Of ik niet wat wilde schrijven. Buitenland wilde dat niet doen. Vanaf 2000 tot mijn bijdrage in 2009 is niet over deze zaak geschreven. Daar gaat het in mijn boek over. Er is niet ‘onder meer’ door mij over deze controverse geschreven, maar alleen door mij.
    Vandermeersch schrijft dat Hans Moll ‘van harte’ is uitgenodigd een constructieve bijdrage te leveren aan een debat over de berichtgeving over en uit het Midden-Oosten. Mag ik bij deze mijn twijfel uiten aan de oprechtheid van deze uitnodiging? Met mijn boek heb ik geprobeerd duidelijk te maken dat er bij de krant geen debat wordt gevoerd over een zo belangrijk onderwerp als het Midden-Oostenconflict.
    Door mij als onbetrouwbaar te bestempelen, zegt Vandermeersch tegen de lezers ‘neemt u vooral deze meneer niet serieus’. Daarmee gaat hij weer de discussie uit de weg.
    Hans Moll